Wij

Zijn volhardendheid me te ontmoeten greep me, ontwaakte het eerste spoortje. Het tweede ontstond op het moment dat mijn ogen voor het eerst zijn ogen ontmoetten, nu zo'n drie jaar geleden. Dat moment transformeerde het spoortje tot blind vertrouwen, in een baken, maar bovenal in zekerheid. De innerlijke zekerheid dat ik altijd ergens thuis zou kunnen zijn, de fysiek tastbare zekerheid van vriendschap, de totale zekerheid mijn zielsverwant te zijn tegengekomen.

De tijd die op dat moment volgde voedde dat vertrouwen en legde het fundament voor onze huidige relatie. Ondanks het feit dat ik een partner en veel mensen om me heen had, kwam ik met mijn verhalen, zorgen en vragen eerst bij hem. Strand- en boswandelingen, bioscoopbezoekjes, of simpelweg samen zijn. 
Hij was degene die mij de 'vlinderdans' leerde, en overigens ook de enige die mij ooit aan het dansen heeft gekregen. De dag nadat hij terugkwam van een lange maand Sri Lanka waren we weer samen. Hij was aan mijn zijde toen ik werd gebeld met het slechte nieuws over mijn oma. Hij wist eerder dan wie dan ook van mijn vermoedens zwanger te zijn van James. Hij is tot ruim na bezoekuur gebleven toen ik was bevallen, met mijn zoon in zijn armen. Het is onmogelijk alle (talloze) gebeurtenissen waardoor mijn vertrouwen in hem met het moment groeide te beschrijven.  


Ik geniet van de aanblik van zijn 'kleine vriend', James, die begint te stralen als hij binnenkomt. Mijn hart loopt over van geluk bij het zien hoe ze samen spelen in de immense zandbak van Kijkduin. Mijn geloof in oprechte liefde laait op wanneer hij me vanuit het niets vertelt over zijn toekomstdromen waarin James hem vraagt een handje te geven en met hem loopt. Niet alleen ik, maar ook James vertrouwt heilig in zijn rol als vader. Mijn vertrouwen in hem als persoon, geliefde, toekomst, reikt verder dan het universum. Heb ik je dat wel eens verteld?

"Cause you know my call, and we'll share my all. And our children come, they will hear me roar."
- Marcus Mumford (a.o)

(Be)wonder

Het was fijn om haar te zien lachen. Een bezoek aan de kinderboerderij met James moest voor wat afleiding zorgen, de afgelopen tijd is zwaar geweest. Niet dat ze nooit lacht; zelfs als alle onheil op haar pad komt krijgt ze het voor elkaar dat heerlijke geluid te produceren. Soms gecombineerd met een traan, soms iets minder intens dan gewoonlijk, maar altijd oprecht. Een middagje in de zon op de kinderboerderij. De verrukte kreet toen ze kuikens in het vizier kreeg, de stralende 'selfies' met een bejaarde geit: ik genoot van haar.

Rond zeven uur die avond trilt mijn telefoon. Een berichtje: 'wat ben je aan het doen?', gevolgd door 'kan ik je bellen?'. Ik verwacht van alles, van ruzie met haar vriend tot nieuws over haar baan, alles behalve datgene wat ze me vertelt. Esther heeft een einde aan haar leven gemaakt. Mijn gedachten gaan de Esthers af die ik ken en aan haar gelinkt kunnen worden, maar ik kan er maar één bedenken. Omdat ik dat simpelweg niet geloof, komt mijn eerste vraag er na enkele seconden stamelend uit. '... Wie... Welke... huh?', moet het ongeveer geweest zijn. De tranen in haar stem vertellen me dat het waar is. 


Honderden vragen schieten me te binnen, maar vliegen direct erna mijn hoofd weer uit. Verbijstering neemt het stokje over, maakt alles wat mijn mond verlaat zinloos. Flarden van herinneringen aan de paar keren dat ik Esther heb ontmoet zorgen er voor dat de enige normale zin die ik, eindeloos herhaald, op normale wijze uit kan brengen 'oh, wat erg...' is. Gedachten aan mijn liefste vriendin die met rode, betraande ogen op haar bank zit geven me trillende handen, de moeite troostende woorden te vinden zorgt dat ik ijsbeer tussen keuken en woonkamer. Ik eindig, tegelijk met het gesprek, zittend op mijn tafel. Twintig seconden later hoor ik de sleutel in het slot van mijn voordeur omdraaien. Mijn persoonlijke redding van een huilbui komt binnen. 

Een zwaar gevoel drukt op sinds die avond op mijn ziel. Wanneer rampspoed mensen treft, met name leden van mijn 'Belangrijke Mensen-club', blijkt dat een stuk moeilijker te verwerken dan wanneer het om mijzelf gaat. De gebruikelijke procedure gebeurtenis - nadenken - accepteren - plaatsen - doorgaan stokt ergens halverwege, tussen accepteren en plaatsen. Of eigenlijk al voor het accepteren; alles in me wil de klok terugdraaien en de gebeurtenis voorkomen, bij voorkeur volgens het butterfly-effect. Bij alles wat ik doe is het in meer of mindere mate in mijn gedachten, maar altijd aanwezig.

Esther. Een lieve vrouw van nog geen dertig, ogenschijnlijk vrolijk en gezond, met een ogenschijnlijk mooi leven. De moeder van een schitterend tweejarig meisje, de vrouw van een leuke man, de dochter van enorm aardige mensen. Een ziel geteisterd door demonen die al dit moois overschaduwden. Over twee dagen is de laatste ode aan haar, de crematie. Ondertussen bekijk ik meerdere keren per dag haar Facebookprofiel en foto's. In gedachten zie ik haar staan, glimlachend verhalen over haar bevalling en werk vertellend, tussen haar ouders in op een feest. In gedachten lees ik haar privéberichtjes met tips voor James opnieuw. In gedachten herinner ik me de eerste ontmoeting met haar, tijdens een nichten-middagje met mijn vriendin. Nog nooit heb ik zo sterk gehoopt dat er een butterfly-effect bestaat; een minieme verandering in het verleden waardoor haar demonen in vlinders zouden veranderen.

Mijn vriendin. Wat een wonder is zij. Ik bewonder het, de kracht die ze ondanks alles durft uit te stralen. Ik bewonder het, haar fragiliteit die ze me durft te tonen op moeilijke momenten. Ik bewonder haar, enorm, wanneer ze durft te lachen tussen de tranen door. Ze is geweldig, en ik mag haar mijn allerliefste vriendin noemen. 


“Promise me you'll always remember: you're braver than you believe, and stronger than you seem, and smarter than you think.” 
- A.A. Milne

Geluk

Enigszins in de war dat ik je binnen vijf kwartier weer mag zien, loop ik de uitslaapkamer binnen. Je ligt op je zij, je nieuwe gezichtje van me afgedraaid. Ik trek de dekens van je af; je haar is drijfnat van het zweet. Ik zie dat je je joggingbroekje nog aan hebt, verrassend genoeg. Daaronder zit een infuus in je voet, een netje om hem vast te houden zit verwikkeld aan de lijn waar pijnstilling en vocht door stroomt. Ik maak mijn draai om het bed, mijn adem ingehouden. Het eerst zie ik het plasje vers, helderrood bloed op het spierwitte laken, gevolgd door het kapje naast je waar een sissend geluid uit ontsnapt. Je probeert je om te draaien, zacht gekreun bereikt mijn oren en hart. Je bent drie maanden, dit is onze tweede eerste ontmoeting.

Ik hou je vast, ik wieg je, ik kijk naar je. Jij huilt, mijn hart huilt. Er klopt iets niet. De fles die ik voor je gemaakt heb, weiger je. Met groeiende wanhoop blijf ik het proberen, wetend dat je niet weg mag voor je iets binnen hebt. Maar je hebt pijn, ondanks de pijnstillers. Na een tijd vertelt de zuster me dat dit niet 'zoals gewoonlijk' gaat, en haalt er een deskundige bij. Extra morfine wordt toegediend, de doses worden nagekeken in de computer. Ik vraag waarom het zo snel is gegaan, er stonden immers feitelijk twee operaties voor maximaal 2,5 uur gepland. Je lijkt ook geen last van je oortjes te hebben, valt me op. De zuster belt naar de operatiekamer, en vraagt hen of er 'bij James van Velzen ook een MOB (Midden Oor Beluchting, oftewel buisjes) verricht is'. Ik hoor de assistent vrolijk "een wat, MOB? Nee hoor!" zeggen. Ik begrijp het niet, maar plaats het nog even ergens in een schimmig gebied in mijn hersenen.

Je blijft onrustig. We zijn terug in je 'eigen' kamer, waar Badr nog altijd geen woord zegt en doodstil blijft liggen. Hoe harder je huilt, hoe banger ik word. Bang dat het niet goedkomt, bang dat het weer openscheurt, bang om mezelf. Zoveel verdriet heb ik nog nooit gevoeld. We bakeren je in, maar ook dat zint me niet. Je zweet. Het is mij overduidelijk dat je pijn hebt, de medicijnen werken niet afdoende. Na het een paar uur aangekeken te hebben uit ik mijn zorgen opnieuw bij de zuster, je had ook volgens hen rustiger moeten zijn ondertussen. Na overleg met de artsen krijg je je derde type medicatie toegediend. Een klein spuitje wordt in je mondje gestopt, leeggespoten en achtergelaten met twee zetpillen.

Ondertussen heb ik verschillende dialogen gevoerd met zusters en de arts-assistent. Het schimmige gebied in mijn hersenen is opgeklaard, en mijn verwondering over hoe ze zo'n fout hebben kunnen maken heeft plaatsgemaakt voor boosheid. En dus komt de arts-assistent zijn excuses veelvuldig aanbieden. Te moe om een volwaardig gesprek te kunnen voeren, knik en glimlach ik. Kwestie afgesloten, voor nu. Over zijn laksheid kan ik me echter nog wekenlang druk maken.


Om vier uur 's nachts ben je doodop, en val je eindelijk in slaap. Zo ook ik, onder een gehaakte deken van drie meter lang, op een stoel. Twee uur later eet je zowaar heel je fles leeg, tot mijn grote blijdschap. Het teken dat we naar huis mogen!

Maar thuis, daar beginnen de problemen pas. Anderhalve week lang, dag in dag uit, uur na uur; huilen. Huilen van de honger, om daarna te huilen van de pijn. De fles weigerde je consequent. Zodra hij in beeld kwam begon je gretig en met rode wangen te zuigen, om hem na twee slokken weer uit te spugen en het op een krijsen te zetten. Pas wanneer je te uitgeput was om nog aan pijn te denken en zo goed als sliep, kreeg je melk naar binnen. Onze dagen werden letterlijk met niets anders gevuld dan huilen en slapen. Een uitputtingsslag, voor ons beide. Maar iedere millimeter pleister die verdween, werd vervangen door nieuwsgierigheid en rust.
_______________________________________________________________________________________

Het is ongelooflijk, hoe jij zonder woorden duidelijk kan maken wat liefhebben is. Mijn hart vloeide over van trots toen het laatste stukje pleister losliet, de glimlach kon met geen mogelijkheid van mijn gezicht gehaald worden. Ik vond je prachtig, prachtig werd vervangen door adembenemend. Inmiddels ben je bijna een half jaar oud, en iedere dag leg je me uit wat onbezorgdheid is door naar me te lachen. We zijn ruim een jaar verder sinds ik erachter kwam dat jij er was. Sindsdien is er veel veranderd,
 tot in de kleinste details is niets verlopen zoals 'het hoort'. We zijn een tweekoppig team, versterkt door familieleden en (langdurige) vriendschappen die van je genieten. (Oud-)collega's die zich tot vriendschappen hebben ontpopt, een intense vriendschap die tot liefde verworden is. Het wordt me regelmatig gevraagd, of ik gelukkig ben. Ik kan oprecht zeggen nooit gelukkiger te zijn geweest.

Niets is verlopen zoals 'het hoort'. Maar wie heeft ooit beweerd dat het originele plan beter is dan het alternatief?

"This wouldn't go without no blisters, but we would find other ways."
- Anouk Teeuwe